Veerle Driessen

De sympathie van alle dingen Vijf kunstenaars die het alledaagse op een rituele manier benaderen

Wie aan een ritueel denkt, denkt waarschijnlijk aan een complexe, uitgebreide handeling. De voordracht van obscure teksten in een dode taal, lange gewaden, altaren en de geur van wierook. Al die dingen kunnen onderdeel zijn van een ritueel, maar voor een ritueel zijn geen grootse gebaren nodig, zegt Veerle Driessen, die deze ‘papieren tentoonstelling’ samenstelde, met daarin vijf kunstenaars die het alledaagse op een rituele manier benaderen. 

De sympathie van alle dingen

Het alledaagse zit vol merkwaardige, magische rituelen. De eerste kop koffie in de ochtend, een begroeting, een warme douche na een lange dag, buiten afspreken met vrienden op de eerste warme dag van het jaar. Sommige van die rituelen beleef je individueel, andere zijn onderdeel van een sociaal weefsel. Waarom groeten we elkaar? Waarom denken we na over de cadeaus die we aan anderen geven? Het zijn middelen om sociale harmonie tot stand te brengen. 

Harmonie is onmisbaar in rituelen en in een samenleving als geheel. Met een beetje fantasie kun je zelfs stellen dat een samenleving één groot ritueel is. Die gedachte is het uitgangspunt van deze ‘papieren tentoonstelling’. De kunstwerken op deze pagina’s gaan over rituelen, en ik nodig je graag uit de tentoonstelling zelf óók als een ritueel te beleven. 

Een samenkomst van perspectieven

Arash Fakhim

De werken in deze tentoonstelling zijn vormgegeven als sofreh, een Perzisch (tafel)kleed dat een belangrijke rol speelt bij culturele feestdagen en andere vieringen, en je in veel Iraanse huishoudens kunt vinden. Het idee voor deze vorm is geleend van een installatie van de in Iran geboren Arash Fakhim uit 2020. Voor zijn solotentoonstelling bij de No Man’s Art Gallery in Amsterdam maakte hij sofrehs van werken van kunstenaars die hij een warm hart toedraagt. Een samenkomst van kunstwerken, van verschillende ideeën en perspectieven.

Samenkomst is een belangrijk thema in Fakhims werk. “De films en muziek van voor de revolutie in Iran, die mijn moeder bekeek en beluisterde, vormden mijn jeugd, samen met beelden van de westerse cultuur die via de tv binnensijpelden.” Door die beelden realiseerde Fakhim zich dat de objecten uit ons dagelijks gebruik van een andere orde zijn dan die waar kunst toe behoort. Door verschillende objecten bij elkaar te plaatsen, zet Fakhim vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid waarmee we objecten categoriseren aan de hand van aspecten als kleur, bruikbaarheid en geur. 

Die samenkomst van objecten is ook te zien op zijn textielwerk, dat de basis is voor deze sofreh. Fakhim maakt afdrukken op textiel dat hij bewerkt met chemicaliën, waardoor de omtrek van een object zichtbaar blijft nadat het boven op het textiel in de zon is gelegd. Het resultaat is een explosieve samenkomst van informatie: alsof de tv uit Fakhims jeugd iets te hard aanstond op de achtergrond, terwijl iemand huishoudelijke klusjes deed en iemand anders diens verhaal van de dag deed. En dat allemaal samengevat in één kunstwerk.

Productief verwarren

Gabi Dao

Het leven is complex en – afhankelijk van wie je het vraagt – betekenisloos. Rituelen scheppen orde en geven betekenis. We vieren mijlpalen en relaties, komen samen om een moment te markeren en verzinnen ritmes om orde aan te brengen in de dag. Maar vanuit een kosmisch perspectief is onze orde arbitrair: de planeten passen zich niet aan onze kalenders aan, dus de kans is groot dat je al eerder of later bent verjaard dan je het viert. 

Iemand die die beperktheid van orde als geen ander blootlegt is Gabi Dao. Met haar werk compliceert ze dingen, stelt ze vragen. ‘Productief verwarren’, noemt ze het. Dao speelt vaak met het idee van een patchwork (lappendeken). Op die manier kan ze de opvattingen over tijd en materialiteit bevragen. Voor deze tentoonstelling maakte ze de collage smoke notes van afbeeldingen van snuifdozen van de website van veilinghuis Christie’s. Dao heeft de afbeeldingen uitvergroot, verkleind, verscheurd en in een nieuwe samenstelling opgeplakt. De collage bevat afbeeldingen van de originele vorm van de snuifdoos, maar het is ook iets nieuws geworden.

Snuifdozen kom je tegenwoordig niet veel meer tegen, maar waren ooit een alledaags product. In de 18e eeuw had vrijwel elke welgestelde man een snuifdoos in zijn bezit. De doosjes waren gevuld met tabak, waar vaak een aroma aan was toegevoegd, afgestemd op de smaak van de eigenaar. De snuiftabak werd ingeademd oftewel ‘gesnoven’, wat een snelle dosis nicotine en een blijvende geur in de neus opleverde.

Naast een gebruiksvoorwerp is de snuifdoos ook een symbool voor welvaart en in die zin een onderdeel van een sociaal ritueel: misschien nog wel belangrijker dan het inhaleren van de nicotine zelf was laten zien dat je een snuifdoos bezat. Dat maakte de snuifdoos een populair luxegeschenk. Door de steeds rijkere versieringen overtrof de waarde ervan al snel die van de inhoud.

De handen in Dao’s collage refereren aan een handeling. Ze herinneren aan het van hand tot hand gaan van de snuifdoos. De vlekken die je ziet zijn van een door Dao zelf gemaakt parfum, waarmee ze het papier heeft bewerkt. Haar parfum bootst de tabaksgeur van de snuifdozen na. Een houtige geur die een beetje zoetig is, en vaag doet denken aan de geur van munt en vanille. 

Productieketens als gemeenschappelijke daad

Otobong Nkanga: Carved to Flow 

Sociale rituelen zoals het gebruik van de snuifdoos zorgen voor verbondenheid tussen de gebruikers, maar gaan ook gepaard met uitsluiting. Wie en public een snuifdoos tevoorschijn toverde, distantieerde zich van wie zich zo’n doos niet kon veroorloven. Zodoende getuigen de snuifdozen in Dao’s compilatie van ingewikkelde sociale en politieke structuren, waarmee veel voorwerpen uit ons dagelijks gebruik nog altijd verbonden zijn. 

Een zo’n voorwerp is zeep. De zeep die je hierboven/hieronder/hiernaast ziet komt uit Otobong Nkanga’s project Carved to Flow. Dat project is een poging tot het blootleggen van sociale structuren, simpelweg door zeep te produceren waar je bij staat. Met drie fases – ‘productie’, ‘distributie’ en ‘ontkieming’ – maakt Nkanga het proces inzichtelijk, en rukt ze tegelijkertijd onze blik los van de luxe winkelcentra met vlotte verkopers. Nkanga brengt de distributeurs – die zij ‘dragers’ noemt; een beladen term die zowel last als verantwoordelijkheid impliceert – en consumenten samen. 

Door ons met onze neus op de ‘supply-chain’ te drukken, wijst Nkanga ons erop dat die productieketen een gemeenschappelijke daad is. Ze dwingt ons te erkennen dat we allemaal een rol spelen in het kapitalistische verhaal van extractie en productie, maar wijst ons er ook op dat we allemaal bij kunnen dragen aan het opruimen van wat Nkanga ‘vervuilde ruimtes’ noemt, en aan de wederopbouw van uitgebuite gemeenschappen. Wat is er eigenlijk zoal nodig voordat je die ‘alledaagse’ producten in je handen kunt houden?

Als we daar eenmaal kritische vragen over stellen, is er geen weg meer terug. Vragen vloeien over in vragen, die, aldus Nkanga, doen denken aan de manier waarop zeepschuim over het lichaam stroomt. De vraag ‘hoe reizen goederen?’ leidt onvermijdelijk tot de vraag ‘wat is reizen?’ Wat betekent het om te reizen? Waarom reizen sommige mensen eerste klas terwijl anderen sterven terwijl ze proberen de Middellandse Zee over te steken in dunne boten? Door de zeepproductie de white cube in te brengen legt ze niet alleen de sociale en politieke structuren bloot die daarbij komen kijken, ze maakt er een lichamelijke ervaring van. Ze laat de bezoekers in de huid kruipen van de makers, de verkopers en de distributeur. 

In de huid van de kunstenaar

Eva Spierenburg

Zonder lichaam geen ervaring, geen ongemak, geen genot. ‘Iemand aanraken kan liefdevol zijn, of een gewelddadige en transgressieve daad. Een gebaar om iets te weten te komen, om iets tot leven te brengen. Objecten tot leven brengen, dat is een specialiteit van de kunstenaar’, schrijft kunsthistoricus Hanne Hagenaars over het werk van Eva Spierenburg in de tentoonstellingsflyer van DISAPPEARANCE IN SLOW MOTION, een solotentoonstelling van Spierenburgs werk in Centraal Museum Utrecht in 2019.

De objecten in het werk van Spierenburg zijn lichamelijk te noemen, of: vleselijk. Ze zijn afgietsels van haar eigen handen waarmee ze de handschoenen hiernaast/hierboven/hieronder heeft gemaakt. Als je ze aan zou trekken, zou je in haar huid kruipen, de dode handen weer tot leven brengen. Je kan ermee voelen, aaien, koesteren, onderzoeken en prikken, maar toch is er afstand, want je eigen huid raakt alleen die van de handschoenen.

Spierenburg gelooft niet in leven na de dood, zegt ze, maar haar props, de kunstwerken die ze voor haar performances maakt, lijken wel degelijk te leven na de dood. Als ze niet zijn ‘geactiveerd’, zoals de hangende handschoenen in de foto, zijn ze toch niet helemaal dood, hooguit in een staat van limbo. Wachtend op actie zoals relieken op hun processie.

Nieuwe associaties tussen dood en leven

Noa Zuidervaart: De sympathie van alle dingen

Bij thema’s als de dood, vergankelijkheid, schepping en het leven zelf hebben we allemaal andere associaties. Door de tijd en culturen heen zijn ze bovendien op veel verschillende manieren afgebeeld en gereproduceerd, waarbij symbolen steeds worden hergebruikt en geherinterpreteerd. Met die ambiguïteit van beelden speelt Noa Zuidervaart. Hij maakte vier staanders als afstudeerwerk op basis van de vier ‘archetypes’ die zich volgens de beroemde Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung in ons allen bevinden en ten grondslag zouden liggen aan ons ‘collectieve bewustzijn’: het zelf, de schaduw, de anima en de persona. 

De staander met de kaarsen die je hier ziet is één van de archetypes. Welke, dat hangt van jouw perceptie af, vindt Zuidervaart. Misschien is de staander wel elk van de archetypes. Het mooie van de perceptie van de toeschouwer van een kunstwerk is dat de schoonheid en betekenis ervan inderdaad in ‘the eye of the beholder’ zitten. Net zo kunnen rituelen iets ontzettend gewoons kracht bij te zetten en van iets kleins iets groots maken. In een rituele setting wordt iets wat ogenschijnlijk saai is, magisch. 

Het alledaagse is zo ritueel als je het zelf maakt. En in dat alledaagse ritueel vervullen kunstenaars een functie. Hun valt iets op dat anderen niet opviel, dat isoleren ze van de gebruikelijke context waardoor het onopmerkelijke opeens opmerkelijk wordt. Deze tentoonstelling is een aansporing tot het op zoek gaan naar de sympathie in alle dingen.